In steen geschreven

Leven en sterven van VOC-dienaren op de kust van Coromandel in India

 

4

Marion Peters & Ferry André de la Porte

Geïll. 280 blz. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2002,

 

In de zeventiende en achtiende eeuw  bezat de Oost-Indische Compagnie (VOC) langs de hele kust van India een groot aantal handelsvestigingen. Nog steeds zijn daar als stille getuigen vele imposante graven, fortjes, kanonnen en gedenkstenen van terug te vinden.

Tijdens een reis door India stuitten fotograaf Ferry André de la Porte en wetenschapper Marion Peters in 1993 bij toeval op een eeuwenoud, uit de rotsen gehakt Shivatempeltje. Tot hun verbazing troffen zij daarin de namen van meer dan honderd Nederlandse VOC-dienaren aan. De bijzondere vondst inspireerde Peters en André de la Porte tot een zoektocht naar de materiële overblijfselen uit de tijd dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie handel dreef in India. Foto’s van hun drie volgende reizen naar India zijn vanaf 12 januari te zien in de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum.

4aAl duizenden jaren beklimmen pelgrims de vijfhonderd treden van de steile trap die naar de Heilige Vogelberg in Tirukkalukkunram leidt. Op deze rotsformatie nabij de Indiase stad Madras landen al sinds mensenheugenis iedere dag rond het middaguur twee gieren om een voedseloffer in ontvangst te nemen uit handen van een priester. Het tochtje staat in menig reisgids beschreven en vormt een belangrijke toeristische attractie. Maar wat niet in de reisgidsen vermeld staat, is dat zich halverwege de Vogelberg een tempeltje bevindt dat in de vijfde eeuw ter ere van Shiva uit de rotsen gehouwen is.

Toen de Nederlandse fotograaf Ferry André de la Porte en zijn levenspartner Marion Peters op 18 april 1993 met de Travel Survival Kit van Lonely Planet in de hand op de bus stapten om naar de twee gieren te gaan kijken, hadden ze niet kunnen vermoeden dat ze een ontdekking zouden doen die hen de komende jaren bezig zou houden. ‘We hadden net aanschouwd hoe de vogels stipt om twaalf uur aan waren komen vliegen om hun vegetarische maaltijd te nuttigen’, vertelt André de la Porte enthousiast. ‘Vervolgens wandelden we nog wat op de berg rond en ontdekten het achteraf paadje dat naar het Shiva tempeltje leidde. Daar deden we een ongelofelijke vondst. In de muren en op de pilaren stonden meer dan honderd namen van Nederlanders gehakt. Sommige waren voorzien van jaartallen die teruggingen tot 1662. Een enkeling had zijn naam zelfs brutaal op de borst van het Shivabeeld geschreven. Hoewel we nog geen idee hadden wie al die mensen waren, hadden we wel meteen het gevoel dat hier iets bijzonders aan de hand was.’

Grafdichtjes

4bEenmaal terug in Nederland dook Peters, als historicus gespecialiseerd in de 17de eeuw, in de boeken. Ze ontdekte dat een van de Hollanders die zijn naam in de tempel had achtergelaten, een zekere Daniel Havart, in 1693 een boek had uitgegeven waarin hij het leven van de VOC-dienaren aan de Coromandelkust beschrijft. Peters: ‘Daarin vertelt Havart hoe hij met een gezelschap van elf Hollanders de tocht naar de Vogelberg heeft gemaakt om de gieren te zien. Het tempeltje diende tussen 1662 en 1818 als een soort gastenboek. Ik heb ontzettend veel informatie uit het boek van Havart kunnen halen. Hij geeft levensbeschrijvingen van talloze Hollanders die in India verbleven. Bovendien bleek Havart een maker van grafdichtjes te zijn. Op diverse begraafplaatsen in India hebben we grafdichtjes van hem teruggevonden.’ Van de honderdveertig namen die Peters en André de la Porte in het tempeltje aantroffen, hebben ze er ongeveer honderd kunnen ontcijferen. Van vijfentachtig daarvan heeft Peters de identiteit kunnen achterhalen. Vooraanstaande VOC-dienaren blijken de Vogelberg, die vlak bij de VOC-handelsvestiging in Sadras lag, bezocht te hebben, vaak in gezelschap van hun familie of vrienden. Onder hen waren de gouverneurs Cornelis Speelman en Laurens Pit, de geleerde dominee Servatius Clavius en de latere ambassadeur in China, Vincent Paets.

Toilet

Peters en André de la Porte maakten in totaal vier reizen naar India van ieder drie maanden. Ze spoorden begraafplaatsen op en legden grafstenen bloot die jarenlang onder het struikgewas verscholen lagen. André de la Porte: ‘We zijn gaan uitzoeken wat er in India nog over is aan stenen Nederlands erfgoed en hebben dat tot in detail gefotografeerd. 4cNiemand is ons daarin voorgegaan. Er bestaat geen boek over dit onderwerp. Voor de meeste mensen is het zelfs totaal onbekend dat de Nederlanders in India zaten. Toch heeft de VOC er bijna tweehonderd jaar lang op contractbasis handel gevoerd en hebben de Nederlanders er forten, factorijen en kerken gebouwd.’ De meeste forten, met uitzondering van het fort in Sadras, zijn in 1781 tijdens de Vierde Engelse Oorlog door de Engelsen opgeblazen. Wat er nog over is aan Nederlands erfgoed, is vooral op de diverse begraafplaatsen te vinden. Maar daar kijkt volgens Peters niemand naar om. ‘Er liggen overal Nederlandse begraafplaatsen zwaar te verkommeren’, vertelt ze. ‘De kleine grafstenen worden door de plaatselijke bevolking als wasstenen gebruikt, terwijl de grafmonumenten vaak als openbaar toilet dienen. Iedere keer dat we terugkwamen, zagen we dat er weer stenen verdwenen waren. Een kerkhof dat net onder het struikgewas vandaan was gehaald, werd het jaar daarop door de plaatselijke jeugd als cricketveld gebruikt. En de afgelopen jaren zijn diverse VOC-gebouwen tegen de vlakte gegaan om plaats te maken voor nieuwbouwprojecten.’ t De omstandigheden waaronder het Nederlandse tweetal onderzoek deed, waren vaak zwaar. ‘Het vinden van sommige begraafplaatsen was haast onmogelijk’, zegt Peters. ‘Er zijn geen stadskaarten te krijgen en er was niemand die begreep waar we naar zochten. In Ahmedabad, aan de westkust van India, hebben we vijf dagen vergeefs gezocht naar een Nederlands kerkhof Pas in Nederland kwamen we erachter dat we er honderd meter vanaf hadden gestaan.’

Helderzienden

4d‘We werden vaak met vreemde gezichten aangestaard als we vertelden waarnaar we op zoek waren’, vult André de la Porte haar aan. ‘Onze chauffeur verklaarde eens aan omstanders dat we “Amerikanen uit Nederland waren die zachten naar dode lichamen”. Een keer hebben we echt tegenwerking gehad, toen we een graf uit 1672 wilden opgraven. Omdat we onderzoek hadden gedaan, wisten we precies waar het graf moest liggen en we wisten ook dat er een wapen op zou moeten staan van een ruiter op een paard. Er kwamen politieagenten en gemeente-ambtenaren aan te pas voordat we ook maar een spade in de grond mochten steken. Maar toen de grafsteen boven water kwam en deze er bovendien precies zo uitzag als we beschreven hadden, werden we door de bevolking als helderzienden onthaald.’ Met zijn loodzware standaarduitrusting van drie Hasselblad camera’s documenteerde André de la Porte de pas ontdekte Nederlandse schatten. Daarnaast maakte hij foto’s van de omgeving en het dagelijkse leven in India. Zijn haarscherpe zwart-wit afdrukken tonen de kleinste versieringen in het steen, maar laten ook de bredere context zien: hoe een graf op een geplunderde begraafplaats nu eenzaam tussen de hutjes staat en gebruikt wordt om vis op te laten drogen, of hoe een groep vrouwen kleding schoon boent op een steen waaronder ooit een VOC-dienaar begraven lag. Het zijn evenwichtige, prachtig gekadreerde composities die de indruk wekken dat de tijd heeft stilgestaan. ‘Ik ben niet geïnteresseerd in hectische onderwerpen’, geeft André de la Porte toe. ‘Het gaat mij niet om het in beeld brengen van drukke verkeerswegen of dat soort zaken. Mijn foto’s zijn verstilde beelden. Ik ben niet het type fotograaf dat zijn camera in het gezicht van een bedelend vrouwtje duwt. Daar geneer ik me voor.’

Koekoeksjong

‘Dit project is een soort koekoeksjong gebleken’, lacht Peters. ‘We hadden van tevoren nooit kunnen voorzien hoe groot het was en hoeveel tijd en energie erin zou gaan zitten. We hebben alles op eigen kosten gedaan, want er waren maar weinig geldschieters geïnteresseerd in een dergelijk gespecialiseerd onderzoek. We hopen dat door de tentoonstelling en het boek nu de aandacht wordt gevestigd op al dat moois dat in India gewoon op straat ligt en dat, als we niet uitkijken, straks allemaal verdwenen is.’ Van een ding heeft Ferry André de la Porte nog steeds spijt. ‘Bij ons eerste bezoek aan de Heilige Vogelberg heb ik verzuimd de gieren te fotograferen. Toen wisten we nog niet wat we daarna zouden vinden. We zijn nog diverse malen teruggekeerd, maar de vogels zijn nooit meer op komen dagen. Volgens de dorpelingen hebben ze zich na ons eerste bezoek zelfs nooit meer laten zien. Een wachtende pelgrim vertelde ons dat de gieren waarschijnlijk dood waren. Het zou het einde betekenen van een mythe die vierduizend jaar heeft geduurd.’

Sandre Smallenburg
Overgenomen uit de Kunstkrant van het Rijksmuseum van 28 Januari 2002